rechts

Toespraak, uitgesproken door Arnold van Gemert bij de herdenkingsbijeenkomst voor Frans van Hasselt op 8 mei 2011

Frans heb ik leren kennen in mijn studententijd. Waarschijnlijk heeft Prof. Blanken tijdens zijn colleges in de jaren 1958 e.v. wel over hem verteld of hem genoemd. Hij was op een bijzondere manier trots op hem. Hij was wel niet gepromoveerd, zoals enkele andere leerlingen, of had althans zijn proefschrift nog niet voltooid. Blanken maakte zich nog jaren illusies dat het ooit zover zou komen. Maar voor hem vertegenwoordigde Frans de andere kant van de belangstelling voor Griekenland. Niet die van de wetenschapper of de literator, maar die van de avontuurlijke reiziger en Griekenlandkenner. Het was meer dan waardering die uit zijn woorden klonk. Het was bewondering met een licht gevoel van jaloezie, had ik wel eens de indruk. Zo was hij zelf ook door het land gegrepen tijdens zijn eerste grote Griekenlandreis in 1928. Maar de tijd of hijzelf was niet rijp voor de keuze voor het avontuur.
Bij voordrachten van Frans voor de Byzantijns-Nieuwgriekse Kring in de vroege jaren '60 – ik me er een waar hij de muziek van Chatzidakis bij Ritsos Επιτάφιος vergeleek met die van Theodorakis en ons zijn bewondering voor die prachtige stem van Bithikotsis overbracht – , bij bezoeken aan het Byzantijns-Nieuwgrieks Seminarium, waar ik toen assistent was, bij een uitwisselingsreis van studenten Klassieken in 1962, hebben we elkaar af en toe ontmoet. Ik kan me niet herinneren of ik hem in 1966 in Athene ontmoet heb toen ik een jaar in Griekenland ging studeren. Ik had hem in ieder geval geschreven, weet ik. Maar ik had gekozen voor Saloniki en voor de literatuur van Kreta in de 15e-17e eeuw en ben beide altijd trouw gebleven. Bovendien miste ik de begaafdheden van Frans, zijn rust, zijn waarnemingsvermogen, zijn kennis van en openstaan voor de Griek van nu, zijn cultuur en maatschappij, maar bovenal miste ik zijn journalistieke kwaliteiten.

Samen hebben we de ontwikkelingen in 1966-67, die leidden tot de staatsgreep van de kolonels in april '67, meegemaakt, hij van nabij en actief als dè correspondent voor Griekenland in Athene, en uiteindelijk om een onnozele reden uitgewezen, ik als steeds bezorgdere toeschouwer in Saloniki, maar door mijn werk toch meer gericht op het verleden, en uiteindelijk ook door eigen onnozelheid tot persona non grata verklaard.

Dit gemeenschappelijk lot en onze activiteiten tegen de junta brachten ons vaak in contact met elkaar. Al kort na de geboorte van mijn oudste zoon Willem beschermde het door Frans geschonken amulet hem in de wieg tegen het boze oog, iets waarvoor mijn schoonvader als orthodox priester weinig begrip kon opbrengen.
Het is dit jaar 40 jaar geleden dat we afspraken elkaar  in Istanbul te ontmoeten. Frans was er al weer jaren correspondent voor Griekenland, Turkije en Cyprus. Hij was er en voelde er zich thuis. Totoula kwam uit Saloniki waar ze onze zoon van een jaar voor een week bij haar ouders had achtergelaten. Ik kwam van een congres in Boekarest met de bedoeling Byzantijnse monumenten die ik voor mijn onderzoek wilde zien te bezoeken. In het Pera Palas hotel hebben we elkaar getroffen en daarna een aantal dagen samen opgetrokken, gegeten bij Grieken, samen naar de Theologische Hogeschool op Chalki geweest, die net dat jaar gedwongen was zijn deuren te sluiten. Zelf hadden we al de patriarch van Konstantinopel Athinagoras ontmoet (je kon hem zo aanspreken terwijl hij in de binnenhof een wandelingetje maakte). Het was Byzantium en Griekenland in Konstantinopel/Istanbul dat we samen beleefden.

Het meest onvergetelijk was het bezoek aan het huis waar Frans woonde. We namen de boot naar de Aziatische kant (er was nog geen brug). Op het pleintje bij de aanlegsteiger in Üsküdar kocht Frans een paar ons visjes en daarmee gewapend gingen we op weg naar zijn huis. Bij een eenvoudige dorpsmoskee met een enkele minaret sloegen we af naar de kust. Bij zijn huis verzamelden zich op de lokroep van Frans en de geur van de vis zijn katten en die uit de buurt. Turken zijn dierenvrienden, vertelde Frans, Grieken helemaal niet. Hoewel... Hij had de indruk dat de Grieken op de eilanden voor de Turkse kust ook niet zo dieronvriendelijk waren als de Grieken van het vasteland. En misschien gold hetzelfde wel voor de Griekse vluchtelingen uit Klein-Azië. Totoula en ik, geen van beiden grote kattenliefhebbers, hadden intussen alleen maar oog voor het uitzicht. Dat was adembenemend. Tegen de ondergaande zon keek je uit over Zee van Marmara en daar lag De Stad, je keek bijna binnen in het Topkapipaleis, de minaretten van de Blauwe moskee, de Ayía Sofía waren bijna binnen handbereik.
Dit was echt Frans, beseften we pas later. Je staat op een afstand en bent toch heel dichtbij. Je gaat naar Azië om Europa beter te kunnen zien. Vanuit Üsküdar zie je  Istanbul beter, vanuit Konstantinopel of Istanbul zie je Griekenland ook met andere ogen. Overdag kon hij zich onderdompelen in het leven van die geweldige stad, zijn huis had hij nodig om er afstand van te nemen en er zich op een andere manier aan over te geven.

Na de val van de junta keerde Frans naar zijn Athene terug, ik mocht al weer wat langer Griekenland in. Als Athene-mijder heb ik sindsdien Frans weinig in zijn omgeving opgezocht. Mijn zoon Willem schreef me over een avond met hem:

‘Katerina en ik hebben inderdaad een onvergetelijke avond of beter gezegd nacht met Frans van Hasselt doorgebracht. Het was tijdens m’n stage in Athene, dus voorjaar 1993 als ik me niet vergis. We hadden afgesproken in de Plaka en hebben gegeten in z’n vaste taverna met de oude plataan middenin het zaakje. Het ijs was snel gebroken. Na afloop zijn we naar een tent gegaan, een skyládiko volgens Katerina, waar we whisky's getrakteerd kregen, want Frans kende de eigenaar natuurlijk goed. Ik kan me er niks van herinneren, waarschijnlijk iets teveel gedronken. Vervolgens naar de befaamde boite van Yorgos Zografos waar Katerina en Frans uit volle borst alle liederen meezongen. Frans kende werkelijk alle liedjes. Muziek was echt z’n passie. Weer getrakteerd, eigenaar bij ons aan tafel enz. Om vier uur hield de muziek op en stelde Frans voor om naar Sotiría Bellou te gaan die iets verderop zong. Wij waren kapot en hebben dus bedankt, maar Frans ging toch ... Al met al een onvergetelijke avond (voor ons), voor Frans was het volgens mij dagelijkse routine.’
Tot zover Willem.

Onze contacten beperkten zich tot de keren dat we elkaar in Nederland of op het Nederlands Instituut troffen en natuurlijk tot de knipsels over het Grieks Instituut in Venetië die hij me geregeld toestuurde, met het adres in de bekende hanenpoten erop. Op 17 februari kwam er weer een. In mijn bedankmail schreef ik hem over ons beider plaats tussen Oost en West en eindige met: Als bepaalde plannen doorgaan, hopen Totoula en ik je dit jaar in Athene te zien. De laatste envelop met knipsels, of eer scheursels, zoals hij schreef, met een niet meer geschreven, maar getypt adres, afgestempeld op de dag van zijn overlijden, ontving ik vijf dagen na zijn dood. Αιωνία του η μνήμη. Al zou Frans daarbij geglimlacht hebben.